CONTACTALLERGIE VOOR ANTI-MICROBIËLE MIDDELEN

 

 

 

Sleutelwoorden

 

Bewaarmiddelen, contact dermatitis, desinfecteermiddelen, ontsmettingsmiddelen

 

 

Inleiding

 

Anti-microbiële middelen kennen een ruime toepassing, enerzijds als bewaarmiddelen om microbiële besmetting te verhinderen tijdens de bereiding of het gebruik van producten, anderzijds als ontsmettingsmiddelen om de groei van micro-organismen te verhinderen op levend materiaal, en tenslotte als desinfecteermiddelen teneinde micro-organismen te vernietigen op voorwerpen, materialen, huid en andere membranen en lichaamsholten (1).

 

Ze worden aangewend in tal van farmaceutische topica, cosmetische, huishoudelijke en industriële producten, alsook in allerlei materialen zoals papier, luiers en schoenen (2).

 

Anti-microbiële middelen kunnen irritatie, contactallergische, foto-allergische reacties en contact urticaria (3) veroorzaken bij personen die topische producten gebruiken die bewaarmiddelen of ontsmettingsmiddelen bevatten; daarnaast kunnen ze ook verantwoordelijk zijn voor beroeps-dermatosen vb. bij medisch personeel en bij andere personen die instaan voor de controle, de preventie en behandeling van infecties.

 

Dit artikel handelt over de anti-microbiële allergenen die we de laatste 12 jaren verantwoordelijk geacht hebben voor het uitlokken van een contactallergie.  (Antibiotica staan hier niet ter discussie).

 

 

Materialen en methodes

 

Tussen januari 1985 en december 1997 werden 8521 patiënten contactallergologisch onderzocht in onze afdeling Contactallergie - Dermatologie, U.Z. Sint-Rafaël, Leuven.  Voor ieder van hen werd een grondige anamnese uitgevoerd en werden patchtest resultaten geanalyseerd.  De allergenen werden toegeleverd vanuit Trolab (Hermall Chemie, Reinbek, Duitsland) en Chemotechnique Diagnostics (Malmö, Zweden) of werden op de afdeling zelf verdund en bereid.  Het patchtest materiaal bestond uit van der Bend® patchtest kamertjes (van der Bend, Brielle, Nederland), bevestigd op Mepore® kleefpleister (3M, U.S.A.) en overdekt met Mefix® (Mölnlycke, Zweden).  De resultaten werden afgelezen op dag 2 en 3, en eventueel ook op dag 4 na applicatie, en dit volgens de ICDRG richtlijnen.

 

 


Bespreking

 

Anti-microbiële middelen vormen de tweede belangrijkste groep van allergenen in cosmetica (vb. 4); vaak wordt gebruikt gemaakt van mengsels van verschillende stoffen teneinde een zo breed mogelijk activiteitsspectrum te bekomen.  In een recente studie (5) werd bevestigd dat de frequentie van reacties op methyl(chloor)isothiazolinone - alhoewel het zich nog steeds op de eerste plaats als oorzakelijk allergeen onder de anti-microbiële middelen bevindt - bijna gehalveerd werd in de periode 1991-1996 ten opzichte van de periode 1985-1990 (4).  Dit allergeen werd inderdaad zeer algemeen gebruikt in de tachtiger jaren en veroorzaakte toen zeer frequent allergische reacties.  Sindsdien werd het grotendeels vervangen door bewaarmiddelen die voordien reeds op de markt waren zoals formaldehyde (waarvan het aantal allergische reacties recent verdubbelde, cfr. 4), alsook liberatoren zoals quaternium-15, diazolidinylureum, imidazolidinylureum, DMDM-hydantoine, bromonitropropaandiol, doch ook door het recenter toegepaste mengsel van methyldibromoglutaronitrile en fenoxyethanol.  Dit laatste bewaar-middel, dat ook Euxyl K400® genoemd wordt en dat we routinewijs testen sinds april 1992, neemt als allergeen in belang toe.  Het methyldibromoglutaronitrile (of dibromodicyanobutaan) (6) vormt het sterkste allergeen van beide bestanddelen.

 

Het spectrum van de anti-microbiële middelen die als allergenen in cosmetica teruggevonden worden, verschilt erg van land tot land (vb. 7, 8).  Zo zijn formaldehyde-liberatoren belangrijker in het Verenigd Koninkrijk dan in het Europese vasteland waar isothiazolinone-derivaten vaker teruggevonden worden.

 

Andere cosmetische bewaarmiddelen die we konden identificeren, zijn: chlooracetamide (een sterk allergeen zelfs in minieme concentraties), triclosan (voornamelijk in deodorants), bradofen (een quaternair bestanddeel in één van de "uier"-crèmes die gebruikt worden in de behandeling van irritatie van de handen), captan (in haarverzorgingsproducten), farnesol (in antiperspirantia, dat kruisreageert met perubalsem), en uitzonderlijk bromonitrodioxaan.

 

Contactallergie voor parabenen wordt voornamelijk geïnduceerd door topische farmaceutische producten; deze kunnen ook andere bewaarmiddelen bevatten, verantwoordelijk voor contact-allergie, nl. thiomersal, waarvoor de meeste positieve reacties niet kunnen verklaard worden (vb. 9), benzylalcohol (ook in parfums), benzoëzuur en sorbinezuur (ook verantwoordelijk voor niet-immunologische contacturticaria), chloorcresol, benzalkoniumchloride en chlorbutanol (deze laatste middelen worden vaak gebruikt in oogdruppels).

 

De ontsmettingsmiddelen, teruggevonden als contactallergenen, zijn thiomersal en andere kwik-derivaten (vb. merbromine of mercurochroom), cetrimide, chloramine, nitrofurazone, quinoline derivaten (clioquinol, chloorquinaldol), chloorhexidine, ethanol, hexamidine, chloorxylenol, isopropyl alcohol en natriumhypochloriet.  Sommige van deze bestanddelen zoals chloramine (vb. 10) en chloorhexidine (vb. 11) kunnen ook ernstige (immunologische) urticaria uitlokken.

 


Men mag daarenboven niet vergeten dat bepaalde ontsmettingsmiddelen sensibiliserend kunnen zijn door de aanwezigheid van andere ingrediënten in hun formulatie.  Nonoxynols (met 45 positieve reacties! in onze patiëntengroep) zijn niet-ionische oppervlakte-actieve bestanddelen, aanwezig in vb. jodiumpovidone oplossingen, alsook in bepaalde chloorhexidine- en hexamidine bereidingen (12).  Zo lag ook lauramine oxide, een alifatische amine aanwezig in chirurgische zeepoplossingen, aan de basis van 8 allergische reacties bij medisch personeel.

 

Sommige van deze antiseptica kennen eveneens toepassing als desinfecteermiddelen zoals ethanol, isopropylalcohol, quaternaire ammoniumverbindingen, chloorcresol, chloorxylenol en formaldehyde.  Dit laatste, te samen met glyoxal en vooral glutaaraldehyde ligt soms aan de basis van beroepsdermatosen (ook door verspreiding via de lucht) bij medisch en paramedisch personeel, alsook bij tandartsen.  Dodicin of dodecyldi(aminoethyl)glycine wordt voornamelijk gebruikt voor ontsmetting van oppervlakten en is gekend als mogelijk allergeen bij zwem-instructeurs.

 

De teruggevonden anti-microbiële allergenen in industriële producten (zoals oliën, water-oplosbare verven en lijmen) - ook wel biociden genoemd - zijn formaldehyde, isothiazolinone derivaten, benzotriazole, chlooracetamide en methylolchlooracetamide.  Biobans® veroorzaakten een beroepsdermatose door hun aanwezigheid in koelvloeistoffen, gebruikt in de metaal-verwerking, terwijl formaldehyde vaker in huishoudelijke producten terug te vinden was (13).

 

Thiocyanomethylbenzothiazole wordt gebruikt in het bewerken van leder.  Bij patiënten met een schoenallergie werden hiervoor ook positieve reacties genoteerd.  Bij alle patiënten, een zestal uitgezonderd, werd een kruisreactie teruggevonden met andere mercaptobenzothiazoles.  Het is dus moeilijk om te onderscheiden of de primaire sensibilisatie gebeurde omwille van gebruik als bewaarmiddel of als rubber-toevoegstof in lijmen of in schoenleder.

 

 

Conclusie

 

Anti-microbiële middelen kunnen irritatie en sensibilisatie veroorzaken door hun aanwezigheid in een breed gamma van producten zoals farmaceutische topica, cosmetica, huishoudelijke en industriële producten, alsook tal van materialen.  Soms liggen ze aan de basis van beroeps-dermatosen.

 

 


Referenties

 

1.        Martindale, The Extra Pharmacopoeia.  30th Edition.  London, The Pharmaceutical Press, 1993, pp. 781 and 1132.

2.        Rycroft RJG, Menné T, Frosch PJ (eds).  Textbook of contact dermatitis.  2nd Edition.  Berlin, Springer Verlag, 1995.

3.        de Groot AC, Weyland JW, Vater JP.  Unwanted effects of cosmetics and drugs used in dermatology.  Amsterdam, Elsevier, 1994.

4.        Dooms-Goossens A, Kerre S, Drieghe J, Bossuyt L, Degreef H.  Cosmetic products and their allergens.  Eur. J. Dermatol. 1992, 2:465-468.

5.        Goossens A, Merckx L.  L'allergie de contact aux cosmétiques.  In: Progrès en dermato-allergologie.  Marseille, Médiscript, 1997, pp. 89-95.

6.        Jagtman B, van Geest T, van der Kley J.  Methyldibromoglutaronitrile is an important contact allergen in the Netherlands.  Contact Dermatitis 1996 34:118-120.

7.        Perrenoud D, Bircher A, Hunziker N.  Frequency of sensitisation to 13 common preservatives in Switzerland.  Contact Dermatitis 1994, 30:276-279.

8.        Jacobs M-C, White IR, Rycroft RJG.  Patch testing with preservatives at St. John's from 1982-1993.  Contact Dermatitis 1995, 33:247-254.

9.        Möller H.  All these positive tests to thiomersal.  Contact Dermatitis 1994, 321: 209-213.

10.    Dooms-Goossens A, Gevers B, Mertens A, Vanderheyden D.  Allergic contact urticaria due to chloramine.  Contact Dermatitis 1983, 9:319-320.

11.    Okano M, Nomura H, Hata S et al.  Anaphylactic symptoms due to chlorhexidine gluconate.  Arch. Dermatol. 1989, 125:50-52.

12.    Dooms-Goossens A, Gidi de Alam A, Degreef H.  Contact sensitivity to nonoxynols: a cause of intolerance to antiseptic preparations.  In: Frosch A, Dooms-Goossens A, Lachapelle J-M, Rycroft RJG, Scheper RJ (eds.)  Current Topics in Contact Dermatitis.  Berlin, Springer-Verlag, 1983.

13.    Flyvholm M-A.  Identification of formaldehyde releasers and occurence of formaldehyde and formaldehyde releasers in registered chemical products.  Am J of Industr Medicine 1993, 24:533-552.