CONTACTALLERGIE VOOR CORTICOSTEROÏDEN

 

 

 

Samenvatting

 

Contactallergie voor lokaal toegepaste corticosteroïden vormt geen uitzondering en treedt voornamelijk op bij patiënten die multipele corticosteroïdhoudende preparaten aanbrengen omwille van (meestal langdurig bestaande) eczemateuze aandoeningen.  Omwille van het anti-inflammatoir effect is het klinisch beeld echter dikwijls gemaskeerd en wordt de diagnose door middel van epicutane lapjesproeven bemoeilijkt. Corticosteroïd-overgevoelige patiënten vertonen meestal reacties op verschillende corticosteroïden: dit kan berusten op "gelijktijdige" allergie of op "kruisallergie".  Het opsporen van de kruisallergie patronen heeft zowel wetenschappelijk als praktisch nut.

 

 

Inleiding

 

Het gebruik van corticosteroïden doch ook het aantal publicaties aangaande hun contact-allergiserend vermogen is de laatste jaren sterk toegenomen.  Bovendien kunnen bij patiënten, vooraf gesensibiliseerd via huidapplicatie, lokale maar ook veralgemeende reacties optreden via inhalatie, intra-lesionele, intra-articulaire of systemische toediening.  Dergelijke reacties werden over het hoofd gezien in het verleden, daar corticosteroïden buiten alle verdenking stonden wat het allergiserend vermogen betreft.  Verschillende corticosteroïden zijn immers lichaamseigen.  Het zijn anti-inflammatoire stoffen, gebruikt in de behandeling van allergische aandoeningen!  Het klinisch beeld van een contactallergische reactie voor corticosteroïden is niet suggestief voor contactallergie, en er zijn bovendien moeilijkheden in verband met de diagnosestelling door middel van epicutane lapjesproeven.

 

 

Kliniek

 

Het klinisch beeld van een contactallergische reactie voor corticosteroïden kan bestaan uit een duidelijk eczeem, maar is meestal "gemaskeerd" omwille van het anti-inflammatoir effect.  Het is bijgevolg sterk verschillend van de meeste andere iatrogeen uitgelokte contactdermatosen die in de regel een acuut verloop vertonen.  Er zijn enkele diagnostische tekens die contactallergie voor corticosteroïd preparaten doen vermoeden.

 

De patiënt vermeldt "geen verbetering", doch zelden "verslechtering" door de ingestelde therapie: het betreft immers in de meeste gevallen een sub-acuut tot chronisch eczeem, dat resistent is of zich uitbreidt onder lokale corticosteroïdtherapie.  De meeste corticosteroïd-allergische patiënten lijden aan stasedermatitis te wijten aan chronische veneuze insufficiëntie, irritatie- en/of allergische handdermatitis, chronisch voeteczeem (vaak geassocieerd aan een schoenallergie), anale en/of peri-anale letsels, (seborreïsche) dermatitis ter hoogte van het gelaat, en atopische dermatitis (zelfs bij kinderen).  Het niet "aanslaan" van de ingestelde corticosteroïdtherapie leidt ertoe steeds sterkere corticosteroïden te appliceren waardoor andere nevenwerkingen zoals erythrosis facieï, atrofie, rosacea en peri-orale dermatitis kunnen ontstaan.

Vaak treft men daarnaast een poly-contactallergie aan voor verschillende inhoudsstoffen van topica: het veelvuldig gebruik ervan op een beschadigde, ontstoken huid vormt immers een sterk bevorderende factor tot de ontwikkeling van een contactallergie.

 

 

Diagnosestelling

 

Daar waar een corticosteroïd preparaat een contactallergische reactie kan uitlokken op een beschadigde (meestal eczemateuze) huid, is het bekomen van een positieve reactie op de gezonde huid van de rug van de patiënt niet altijd vanzelfsprekend.  Verder is de biologische beschikbaar-heid van een corticosteroïd, verwerkt in een testmedium zoals vaseline, - waaruit lipofiele topische corticosteroïden weinig worden vrijgegeven - sterk verschillend van een corticosteroïd dat verwerkt is in een preparaat waarvan de samenstelling door de fabrikanten werd geoptimaliseerd met betrekking tot de huidpenetratie.  Dit heeft tot gevolg dat vaak vals-negatieve patchtest reacties worden verkregen.  Dit kan enigszins worden verholpen door gebruik van hogere concentraties (echter niet te hoog gezien het anti-inflammatoir effect!) en andere vehicula (vb. ethanol), waaraan soms nog penetratiebevorderende substanties, zoals DMSO (kans op irritatiereacties!), worden toegevoegd.  Sommige auteurs geven zelfs de voorkeur aan intracutane testmethoden om een corticosteroïd contactallergie op te sporen.

 

Het anti-inflammatoir effect van de corticosteroïden kan eveneens het aspect van de patchtest reacties wijzigen.  Een voorbeeld is het zgn. "edge" of hoekeffect, met het optreden van roodheid aan de rand van het patchtest materiaal: blijkbaar is er een onderdrukking van de reactie in het midden van de patch, waar de concentratie aan corticosteroïd het hoogst is, in tegenstelling met een hoofdzakelijk allergiserend effect juist buiten de grenzen van het testmateriaal, waar het corticosteroïd in een minieme concentratie in de omgevende huid gediffundeerd is.  Dit fenomeen is vooral opvallend bij een eerste aflezing van tests (na 2 dagen), en voornamelijk met sterk werkende corticosteroïden.  Nadien wordt meestal de ganse testplaats eczemateus.

 

Een ander fenomeen is het optreden van een vasoconstrictief ("blanching") effect, vooral bij de eerste aflezingen, en wanneer sterk werkzame corticosteroïden in ethanoloplossing getest worden.  Dit contrasteert met een zgn. "reactieve" vasodilatatie reactie onder vorm van een lichte roodheid ter hoogte van de applicatieplaats.  Een dergelijke reactie dient nadien echter nauwkeurig onderzocht daar het een beginnende allergische respons zou kunnen zijn.  Laattijdig positieve testen voor corticosteroïden (na 5 à 7 dagen) komen immers vaak voor.

 

 

Kruisallergie

 

De meeste corticosteroïd-gevoelige patiënten vertonen positieve testen voor verschillende corticosteroïden.  Dit kunnen "gelijktijdige" reacties zijn bij patiënten die reeds multipele corticosteroïd topica appliceerden, en zich achtereenvolgens voor verschillende molecules sensibiliseerden.  Via het bekomen van positieve reacties voor nog niet-gecommercialiseerde corticosteroïden echter zijn er afdoende bewijzen dat ook kruisreacties tussen corticosteroïden voorkomen.

 

Een statistische analyse van de testresultaten van onze eigen patiënten, alsook van deze gerapporteerd tot 1988, heeft geleid tot de hypothese dat kruisreacties zich voornamelijk binnen bepaalde groepen van corticosteroïden voordoen, namelijk:

 

-       Groep A: hydrocortisone (acetaat), tixocortol pivalaat, enz.

 

-       Groep B: triamcinolone acetonide, amcinonide, budesonide, enz.

 

-       Groep C: betamethasone, dexamethasone (met CH3 op C16 en zonder lange esterketens op C17).

 

-       Groep D: esters zoals hydrocortisone butyraat, clobetasol propionaat, betamethasone valeraat, enz.

 

Verdere studies brachten argumenten aan het licht voor de klinische indruk dat budesonide niet alleen kruisreageert met de andere corticosteroïden van de acetonide groep (B) - waartoe het scheikundig behoort -, maar ook met bepaalde moleculen uit de estergroep (D) zoals hydro-cortisone butyraat en methylprednisolone aceponaat.

 

Deze speciale reactiviteit van budesonide kan verklaard worden door de structuur van zijn acetal-functie waardoor het zowel de acetonide- als de estergroep kan mimeren.  Inderdaad, budesonide blijkt een 1:1 mengsel te zijn van 2 diastereo-isomeren, nl. een R- en S-isomeer naargelang de configuratie van de (asymmetrische) acetalfunctie.  Zo heeft de studie van de ruimtelijke moleculaire configuratie van budesonide aangetoond dat deze van de R- en S-isomeren met de acetonide structuur samenvallen, en het S-isomeer met de estergroep overeenkomt.

Hier dient echter onmiddellijk opgemerkt te worden dat de indeling in een bepaalde groep niet noodzakelijk een voorspelling oplevert i.v.m. het kruisallergiserend vermogen en verder zeker geen indicatie kan geven aangaande het primair sensibiliserend karakter van elk corticosteroïd afzonderlijk.  Inderdaad, niet alleen de scheikundige en/of moleculaire configuratie, maar ook andere factoren zoals huidpenetratie en metabolisatie tot eventueel biologisch "actievere" molecules, spelen hierin een bepalende rol.  Deze karakteristieken zijn voor elk corticosteroïd verschillend.

 

Zo veroorzaakt binnen groep A tixocortol pivalaat (dat na eliminatie van de gemakkelijk afsplitsbare pivalaatgroep een molecule vormt dat enkel van hydrocortisone verschilt in de aanwezigheid van een thiolfunctie i.p.v. een hydroxylfunctie op de C21 positie) vaker positieve patchtest reacties dan hydrocortisone.  Verondersteld wordt dat tixocortol pivalaat vlotter de gezonde huid penetreert om vervolgens aanleiding te geven tot een metaboliet, dat zich gemakkelijker met proteinecomponenten van de antigeen-presenterende cellen bindt.  Dit belet echter niet dat hydrocortisone of prednisolone de sensibilisatie via beschadigde en inflammatoire huid tot stand brachten.  Tixocortol pivalaat, een corticosteroïd dat niet toegepast wordt in de dermatologie, wordt ten andere als "allergiemarker" voor groep A getest.

 

Zo worden binnen groep B het vaakst positieve reacties vastgesteld voor budesonide en minder voor de andere "acetonides".  Een persoon kan echter primair gesensibiliseerd worden door lokale toepassing van vb. triamcinolone acetonide- of amcinonide-houdende preparaten, daar waar de patchtest reactie enkel of sterker positief uitvalt voor budesonide.

 

Binnen groep D zijn de verschillen wellicht het meest opvallend, aangezien bepaalde corticosteroïden (zoals betamethasone valeraat en -propionaat, diflucortolon valeraat, flumethason pivalaat, fluocortolone esters, alsook de recenter gecommercialiseerde molecules momethasone furoaat en fluticasone propionaat), slechts uitzonderlijk aanleiding geven tot contactallergische reacties.  Zij worden vaak als "veiligere" alternatieven voorgesteld bij een "corticosteroïd" allergische patiënt.  Een mogelijke verklaring is dat de "klassieke", gefluoreerde corticosteroïden weinig biotransformatie ondergaan in de huid (inderdaad, het inbrengen van een fluorgroep op positie C6 of C9 had tot doel metabolisatie in de huid tegen te gaan).  Verder vertoont momethasone furoaat, hoewel scheikundig een ester, een geringe huidpenetratie en valt, op moleculair vlak, in feite buiten de strikte classificatie in deze "4 groepen".  Een verdere onderverdeling van groep 4 naargelang het sensibiliserend effect is dan ook wenselijk, nl. in een groep D1 van uitzonderlijk sensibiliserende esters, (zie hoger) en groep D2, welke de "labielere" esters - de zogenaamde "prodrugs" - betreffen die in de huid gemakkelijk metabolisatie onder-gaan tot groep A corticosteroïden waarmee ze kruisreageren en welke vaker aanleiding geven tot contactallergie (vb. hydrocortisone-17-butyraat, methylprednisolone aceponaat).

 

Bovendien zullen de testcondities, bepalend ter detectie van een corticosteroïd allergie, eveneens de vastgestelde "kruisallergie patronen" beïnvloeden: kruisallergiserende substanties kunnen immers over het hoofd gezien worden wegens fout-negatieve reacties!

 

 

Besluit

 

Bij elke "steroïd-gevoelige" dermatose die niet reageert op de ingestelde corticosteroïd therapie, dient men de diagnose te herzien of de mogelijkheid van een contactallergie voor de gebruikte preparaten te overwegen.  Het opnieuw evalueren van de diagnose is de eerste stap.  Op de tweede plaats dringt zich een therapiestop op (vaak met een spectaculaire "genezing").  Indien de toediening van een corticosteroïd toch noodzakelijk blijkt, is de keuze van weinig sensibiliserende corticosteroïden aangewezen.  Tenzij de anamnese op een mogelijke contact-allergie wees (zie hoger), zijn stoffen zoals dexamethasone en bexamethasone en -esters, momethasone furoaat en fluticasone propionaat, goede kandidaten.  Zodra mogelijk, worden epicutane lapjesproeven uitgevoerd met alle inhoudsstoffen van de gebruikte topica.  Verder is het opsporen van kruisreacties tussen verschillende corticosteroïden niet alleen wetenschappelijk interessant, maar ook van praktisch nut voor een meer veilige therapie (zowel lokaal als systemisch) voor de reeds gesensibiliseerde patiënt.

 

 

Referenties

 

1.    Dooms-Goossens A, Degreef H.  Contactallergie voor Corticosteroïden.  Tijdschrift voor Geneeskunde 1995, 51, (17):1177-1182.

2.    Matura M.  Contact allergy to locally applied corticosteroids.  Thesis voor het behalen van de graad van Doctor in de Medische Wetenschappen.  Faculteit Geneeskunde, K.U. Leuven, 1998.

Verdere referenties kunnen in dit artikel gevonden worden.