CONTACTALLERGIE BIJ WONDVERZORGING

 

A. Goossens

Dermatologie,  K.U.Leuven

 

I. CONTACTALLERGIE

 

Een contactallergie berust op een overgevoeligheidsmechanisme van het vertraagde type en uit zich ter hoogte van de huid onder de vorm van een eczeem.  De diagnose wordt gesteld aan de hand van een uitgebreide anamnese, inspectie van de klinische letsels en de lokalisatie alsook de uitvoering van patchtesten.

 

1. Mechanisme

 

Een contactallergie of een allergisch contacteczeem berust op een overgevoeligheidsmechanisme van het cellulaire of vertraagde type en is het gevolg van een sensibilisatie ten opzichte van een stof waarmee de huid voorheen in contact kwam, het zogenaamde "contactallergeen".

 

De immuunrespons in contactallergie bestaat uit een inductiefase of periode van sensibilisatie en een uitlokkingsfase, waarbij, bij hernieuwd contact met het specifiek allergeen, er zich een ontstekingsreactie van de huid voordoet: het zgn. allergisch contacteczeem. Dit  manifesteert zich 1 tot 3 dagen na het uitlokkend contact en wordt gekenmerkt door jeuk, roodheid, papels, vesikels, evt. blaren, schilfering, lichenificatie en kloven, naargelang het een acuut, subacuut of chronisch eczeem betreft.

De laatste jaren is er een enorme vooruitgang geboekt in het ontrafelen van de basismechanismen die aan de grondslag liggen van de inductie, de expressie, alsook de regulatie van contactallergische reacties.  T- lymfocyten, Langerhanscellen en mediatoren  (bv. cytokines, ....) staan hierbij centraal. 

De allergenen verantwoordelijk voor een contactallergische reactie worden gevormd uit enkelvoudige scheikundige stoffen, zgn "haptenen" (in de praktijk verkeerdelijk "allergenen" genoemd) die, na penetratie in de huid, opgenomen en verwerkt worden door de Langerhanscellen die de allergenen op de geschikte wijze aan de betreffende T-lymfocyten aanbieden.

 

Het allergiserend effect is afhankelijk van de vet- en wateroplosbaarheid, alsook van de scheikundige aard van het hapteen, nl. dit moet scheikundig reactief zijn (of reactief gemaakt worden door metabolisatie in de huid of via externe invloeden zoals vb. zonlicht bij de vorming van zgn. "foto-haptenen"); verder spelen ook het moleculair gewicht (voor de meeste haptenen is dit lager dan 400 à 500 dalton) en de moleculaire configuratie een grote rol.  Het belang van de moleculaire structuur van haptenen wordt onderzocht in zgn. "structuur-activiteitsstudies".  

 

 

 

2. Etiologie.

 

Een allergisch contacteczeem wordt in principe veroorzaakt door rechtstreeks contact van de huid met het hapteen.  Niet alleen rechtstreekse applicatie op de huid doch ook overdracht van het hapteen, vb. via de handen naar het gelaat ("ectopic" dermatitis zoals bij een nagellakallergie), overdracht via de partner ("connubial" dermatitis), door contact via de lucht ("airborne" dermatitis) en accidenteel contact via een allergeen-gecontamineerd oppervlak kunnen contactallergie uitlokken.   Strooihaarden, waarbij een eczeemreactie optreedt op plaatsen welke niet met de sensibiliserende stof in aanraking zijn geweest, komen eveneens frequent voor. Soms gaan patiënten, na een voorafgaandelijke sensibilisatie via de huid, reageren na systemische (inhalatie, orale of parenterale) toediening van dat hapteen (of een scheikundig verwante substantie); het klinisch beeld kan dan bestaan in een opflakkering van de vroegere contactplaats(en) of kan een diffuus, soms gegeneraliseerd eczemateus aspect aannemen. Men spreekt dan van een "endogeen" uitgelokte contactdermatitis. Wanneer licht een vereiste is tot de ontwikkeling van een contactallergie, spreekt men van fotoallergisch contacteczeem. 

 

In sommige gevallen kan men, na sensibilisatie voor een bepaalde stof, allergisch geworden zijn voor andere chemisch nauw verwante substanties zonder voorafgaandelijk contact; dit is kruis- of groeps- overgevoeligheid (vb. kruisreacties tussen neomycine, framycetine, kanamycine, gentamycine, enz....; of tussen parafenyleendiamine (PPD), benzocaïne, sulfanilamide, diaminodifenylmethaan, .... in het kader van een zgn. “para”-allergie).

 

3. Diagnose.

 

3.1. Een uitgebreide anamnese kan in sommige gevallen voldoende aanwijzigingen opleveren.  Soms bepalen de patiënten zelf de oorzaak van hun eczeem : wanneer ze het verband zien tussen vb. een nieuw gebruikt product in het huishouden, hobby of werk en hun contacteczeem.  Het kan echter ook gebeuren dat de oorzaak ligt in een product dat al jaren gebruikt werd en plots allergische reacties teweegbrengt : dit wordt vaak door de patiënt niet geloofd waardoor de identificatie van het oorzakelijk allergeen bemoeilijkt wordt.

3.2. De lokalisatie: vormt meestal een aanknopingspunt, vermits het contacteczeem zich in principe voordoet op de plaats van contact met het allergeen.  Het eczeem kan echter ook op andere (vaak meer gevoelige) plaatsen voorkomen. Hierbij speelt de dikte van de huid een grote rol : zo vormen vb. oogleden predilectieplaatsen voor een "airborne" dermatitis, voor een contacteczeem door overdracht via de handen, en zelfs voor een contactallergie uitgelokt door allergiserende producten geappliceerd t.h.v. het ganse gelaat.

3.3. De lapjesproef, plakproef, patch- of epicutane test is tot nu toe de meest nauwkeurige manier om het allergeen te ontdekken.

Hierbij worden de verdachte substanties op de rug aangebracht met pleistertjes, in de juiste concentratie en het juiste vehiculum (de concentratie wordt meestal teruggevonden in de literatuur of wordt experimenteel bepaald; het vehiculum mag niet toxisch noch sensibiliserend zijn, en is meestal witte vaseline, water, alcohol of olijfolie).

Vermits het om een vertraagde reactie gaat, zullen de lapjesproeven pas verwijderd worden na 2 dagen en worden de reacties afgelezen na een kwartier wachttijd om het pleistereffect te minimaliseren.  Om een sterk vertraagde positieve test niet te missen, gebeurt een tweede aflezing na 4 of 5 dagen.

Bij een patiënt, allergisch voor een aangebrachte stof, zal zich op de contactplaats een eczeemreactie voordoen; hiervan dient dan uiteraard de relevantie nagegaan te worden i.v.m. de doorgemaakte huideruptie.

Meestal voert men bij iedereen testen uit met de zogenaamde standaardreeks: deze heeft tot doel een mogelijke contactallergie op te sporen voor de meest frequente allergenen.

Deze reeks houdt echter maar een beperkt aantal (22) allergenen in; bij verdere exploratie naar een eventueel allergeen, moet deze standaardreeks aangevuld worden met andere, meer specifieke reeksen, vb. beroepenreeksen, antimicrobiële producten, kunstharsen, cosmetica, farmaceutische topica,.... of met producten meegebracht door de patiënt zelf.

 

4. Belangrijkste allergenen en poging tot hun eliminatie.

 

Een volledige lijst opsommen van alle allergenen is een onmogelijke opgave vermits elke substantie potentieel in staat is om contactallergie te induceren. Meest frequent zijn:

·       Metalen of metaalzouten:  Nikkel en cobalt in vb. metalen sierraden   (vnl. oorbellen) en textielaccessoires (jeansknop, BH-sluiting).  Chroomzouten in vb. cement, chroomgelooid leder (schoenen) en  javelwater.  Kwik in vb. farmaceutische topica en thermometers.

·       Rubbertoevoegstoffen:  Thiuram-, mercapto-,  paraphenyleendiaminederivaten, carbamaten in vb. rubberen handschoenen, laarzen, rubberlijmen (schoenen).

·       Harsen: colofonium (kleefpleister), epoxyharsen, polyesters en acrylaten in vb. lijmen, dichtingsmiddelen, verven.  (cfr. foto: pulpitis veroorzaakt door een verharder in lijmen.) 

·       Grondstoffen gebruikt in cosmetica (parfumcomponenten, bewaarmiddelen, vehicula, ....) en farmaceutische topica (actieve middelen, bv. antibiotica, antiseptica, corticosteroïdale en niet-corticosteroïdale anti-inflammatoire stoffen (cfr. foto: allergisch contacteczeem veroorzaakt door etofenamaat), bewaarmiddelen, vehicula, ....).

 

De enige effectieve behandeling van contactallergie bestaat uit een strikt vermijden van contact met de verantwoordelijk gestelde allergenen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

II. CONTACTALLERGIE OP WONDZORGPRODUCTEN

 

 

Lokale applicatie van farmaceutische topica kunnen aanleiding geven tot contacteczeem, contacturticaria, irritatie en in welbepaalde omstandigheden, zelfs systemische nevenwerkingen teweeggebracht door absorptie van geneesmiddelen. Bijvoorbeeld: jood en derivaten (schildklierfunctiestoornissen), gentamycine en neomycine (ototoxiciteit), .....

 

1. Voorkomen en frequentie van allergisch contacteczeem

 

Lokale medicatie wordt meestal aangewend op een reeds vooraf beschadigde - vaak inflammatoire - huid, waarvan de beschermings- functie t.o.v. de penetratie van uitwendig aangebrachte stoffen dikwijls sterk gereduceerd is (zelfs weinig sensibiliserende stoffen slagen er in, in die omstandigheden, een contactallergie te induceren zoals vb. wolvetalcoholen en parabenen). Patiënten die hiertoe een risicogroep vormen zijn de  patiënten met beenwonden of stase-dermatitis ten gevolge van veneuze of arteriële insufficiëntie, alsook patiënten die omwille van andere oorzaken (bv. trauma) wonden vertonen. Het - in sommige gevallen - groot aanbod van multipele topica gedurende een lange periode vormt immers de belangrijkste sensibilisatiebevorderende factor.

 

2. Aard van de allergenen

 

Actieve middelen, constituenten van het excipiëns, bewaarmiddelen en parfumcomponenten van farmaceutische topica, doch ook wonddressings, verbandmateriaal en kleefpleisters kunnen aan de basis liggen van een contactallergie.

 

Voorbeelden in het domein van de wondzorg:

·       Actieve stoffen: antiseptica (cetrimide, chloorhexidine, hexomedine, kwikderivaten, jood), antibiotica (neomycine, virginamycine, chloramfenicol, sulfanilamide).  Corticosteroïden, gebruikt in de behandeling van eczemateuze huidaandoeningen kunnen paradoxaal genoeg eveneens - contactallergie uitlokken.  We dienen er rekening mee te houden dat, na lokale sensibilisatie, de systemische toediening van dezelfde (of van scheikundig verwante) substanties een "endogene" contactallergie kan uitlokken. Voorbeelden zijn: aminoglycoside-antibiotica (zoals  tobramycine bij een neomycine-overgevoelige patiënt) en corticosteroïden bij patiënten gesensibiliseerd aan de overeenkomstig gebruikte topische geneesmiddelen.

·       Excipiëntia:  wolalcoholen (eucerine, lanoline), cetyl- en stearylalcohol, propyleenglycol, polyethyleenglycol (uitz.), nonoxynol (emulgator in verschillende antiseptische oplossingen), butylhydroxyanisol en -tolueen (antioxidantia).

·       Bewaarmiddelen:  parabenen, chlorocresol, benzylalcohol, sorbinezuur en thiomersal.

·       Parfumbestanddelen:  voornamelijk aanwezig in vroegere wondhelende preparaten (bv. lavendel- en geraniumolie), enz.... In recent gecommercialiseerde farmaceutische topica worden parfums gelukkig achterwege gelaten gezien ze het therapeutisch en cosmetisch arsenaal bij gesensibiliseerde personen sterk beperken.

·       Wonddressings en verbandmateriaal: alhoewel uitzonderingen bekend staan, zijn het meestal niet de meer “inerte” materialen zoals de polymeren aanwezig in de hygroscopische korreltjes of de permeabele en semi-permeabele hydrocolloïdale plaatjes, maar wel bepaalde additieven zoals bv. colofoniumderivaten en oxidantia die contactallergie veroorzaken.

·       Kleefpleister: cofonium is een gekend allergeen in de vnl. vroeger-gebruikte kleefpleisters; de recent toegepaste acrylaten liggen zelden aan de basis van een contactallergie. 

 

3. Advies in verband met de te vermijden producten

 

Gesensibiliseerde patiënten dienen contact met hun allergenen te vermijden.

Via een computerbestand (CODEX) waarin de volledige kwalitatieve samenstelling van alle farmaceutische topica werd opgeslagen (Belgische specialiteiten en magistrale bereidingen uit de formularia) kan aan de allergische patiënt een alfabetische lijst verstrekt worden van alle te vermijden producten waarin de specifieke allergenen vervat zitten.

Tevens kan een therapeutisch advies ingewonnen worden aangaande de voor te schrijven farmaceutische topica vrij van specifieke allergenen.

Wat de wonddressings, verbanden en kleefpleisters betreft is echter de volledige kwalitatieve samenstelling in vele gevallen niet gekend zodat advies voor een gesensibiliseerde patiënt heel wat moeilijker wordt.