CORTICOSTEROID CONTACTALLERGIE: RECENTE ONTWIKKELINGEN

 

 

 

Trefwoorden       corticosteroïden, contact dermatitis, kruisreacties

 

 

Samenvatting

 

Resultaten van patchtesten met een uitgebreide corticosteroïd reeks bij corticosteroïd-overgevoelige patiënten toonden aan dat de voorheen voorgestelde classificatie in 4 groepen van kruisreagerende moleculen gehandhaafd kan blijven, nl. groep A (hydrocortisone type), groep B (acetonides), groep C (betamethason type, niet veresterd) en groep D (de esters).  Deze laatste groep kan nu verder onderverdeeld worden in groep D1 (gehalogeneerd en met C16 substitutie), en groep D2 (de labiele "esters" of "pro-drugs" zonder voornoemde kenmerken).

 

 

Frequentie van allergie voor corticosteroïden

 

Contactallergie voor corticosteroïden is momenteel een zeer gekend fenomeen en talrijke gevallen werden wereldwijd in de literatuur gerapporteerd.

 

De prevalentie van de geobserveerde reacties is echter afhankelijk van verschillende factoren:

 

-   de aard en de hoeveelheid van de gebruikte corticosteroïden in elk land;

-   het voorschrijfgedrag van de arts;

-   kennis en inzicht van corticosteroïd allergie bij artsen - de selectie van de patiënten die doorverwezen worden naar testcentra;

-   het al dan niet routinewijze testen van "markers" voor corticosteroïd allergie, alsook van de corticosteroïden, gebruikt door de patiënt zelf;

-   de methode van testen en aflezen van de reacties.

 

Volgens Europese gegevens vertonen, afzonderlijk van het centrum, 4,5 tot 5 % van de patiënten die routinematig werden getest vanwege verdenking op allergisch contacteczeem, een contact-allergie voor corticosteroïden.

 

 

Reactiepatronen bij allergische patiënten

 

Patiënten met een contactallergie voor corticosteroïden vertonen meestal een chronische dermatitis die niet verergert doch ook niet verbetert door de applicatie van corticosteroïden op de huid.  Het gelijktijdig allergiserend en anti-inflammatoir effect van corticosteroïden veroorzaakt immers een niet-specifieke eczemateuze reactie die zelden herkend wordt als een mogelijke iatrogene overgevoeligheid.  Ook inhalatie corticosteroïden, gebruikt bij de behandeling van rhinitis of astma (6, 7), kunnen allergische reacties veroorzaken, alhoewel de frequentie hiervan laag is in vergelijking met hun wijdverspreid gebruik.  Algemene reacties kunnen zich eveneens voordoen na systemische toediening (oraal, intraveneus of intra-articulair).  De letsels kunnen zich manifesteren onder de vorm van eczeem, exantheem, purpura en urticaria.

 

 

Kruisreactiviteit onder corticosteroïden

 

Corticosteroïd allergische patiënten zullen bij patchtesten meestal op meerdere corticosteroïden reageren.  Dit wordt ten dele verklaard door het feit, dat deze patiënten meestal een divers gamma gebruikt hebben, waardoor zij zich gelijktijdig aan meerdere corticosteroïden kunnen sensibiliseren.  Het voorkomen van positieve patchtest reacties op corticosteroïden, die zij nooit eerder gebruikt hebben echter brengt het onweerlegbare bewijs van het bestaan van kruisreacties.  Studies in dit verband hebben praktische gevolgen, zowel voor het identificeren van mogelijke testsubstanties als "markers" voor corticosteroïd allergie, als voor het advies aan de allergische patiënt in verband met het gebruik van "veilige" topische en systemische corticosteroïden.  Vroegere studies hebben reeds geleid tot het voorstel om corticosteroïden in te delen in 4 groepen van kruisreagerende moleculen.  In het licht van nieuwe bevindingen op dit vlak (die elders in detail gepubliceerd zullen worden), kunnen de estertype corticosteroïden verder onderverdeeld worden in 2 subgroepen (tabel 1).

 

Inderdaad, bij testen van groep D moleculen, worden minder reacties waargenomen op stoffen zoals betamethason en -esters, zoals -valeraat en -dipropionaat, diflucortolonvaleraat, diflorason-diacetaat, clobetasonpropionaat, clobetasonbutyraat, alsook op de nieuwere molecules, nl. mometasonfuroaat en fluticasonpropionaat (nu geclassificeerd als groep D1), dan op stoffen zoals hydrocortisonbutyraat, -aceponaat en -butepraat, alsook op methylprednisolonaceponaat en prednicarbaat (nu geclassificeerd als groep D2).  Deze laatste zijn "pro-drug" corticosteroïden die, door hun hoge lipofiliciteit, gemakkelijk penetreren door de huid, waar zij afgebroken worden tot de overeenkomstige structuren met een hydroxygroep op de C21 en/of C17 positie(s).

 

Wat de invloed van de metabolisatie in de huid van corticosteroïden betreft, hebben recente patchtest resultaten (gegevens worden elders in detail gepubliceerd) aangetoond dat, bijvoorbeeld, positieve reacties voor "labiele" moleculen zoals prednicarbaat en methylprednisolonaceponaat vaak gezien worden in associatie met groep A corticosteroïden, waartoe respectievelijk het gemetaboliseerde prednisolone en methylprednisolone behoren.  Dit mechanisme kan ten andere ook verantwoordelijk zijn voor kruisreacties die geobserveerd werden tussen hydrocortisone en hydrocortisone-17-butyraat (eigen gegevens).  Deze laatste molecule wordt eveneens omgezet tot hydrocortisone-21-butyraat, dat snel gehydrolyseerd wordt tot hydrocortisone.  Daarentegen kunnen individuele huidmetabolisatie-karakteristieken zeker bepaalde kruisreactie-patronen beïnvloeden.

Niet enkel de moleculaire configuratie maar ook andere factoren zoals de aanwezigheid van bepaalde substituenten, de oplosbaarheid in het gebruikte vehiculum, de huidpenetratie, en de huidmetabolisatie beïnvloeden in hoge mate het allergiserend en kruisreagerend vermogen van een individueel corticosteroïd.

 

 


Testen met corticosteroïden: praktische adviezen

 

Aangezien de meeste contactallergieën voor corticosteroïden niet gevonden worden, tenzij ze routinewijze getest worden, is het aan te raden om twee of drie markers voor corticosteroïden aan de standaardreeks toe te voegen.  We denken hierbij vooral aan tixocortol pivalaat (0,1 % vas.) als marker voor groep A (9, 10), aan budesonide (0,1 % vas.) als marker voor acetonides (groep B) alsook de labiele esters (groep D2, cfr. tabel 1) en eventueel ook nog aan hydrocortisonebutyraat (1 % ethanol).

 

Wanneer een corticosteroïd-overgevoeligheid ontdekt wordt, lijkt het ons ten zeerste aangeraden om, indien mogelijk, eveneens te testen met een uitgebreide corticosteroïd reeks om kruisreactie-patronen te identificeren, zodat de arts gefundeerd advies kan geven voor het toekomstig gebruik van zowel lokale als systemische corticosteroïden.  Enkele corticosteroïden, verdund in vaseline (hoewel niet altijd het optimale vehiculum) kunnen bekomen worden van de firma’s Chemo-technique Diagnostics (Malmö, Sweden) en Halab (Brussel, België en Haarlem, Nederland).

 

 

Tabel 1:       De nieuwe classificatie in functie van kruisreactie-patronen

 

 

Groep A

 

-   Karakteristieken: geen methyl substitutie op C16, geen zijketen op C17, mogelijk een korte keten op de C21.

-   Typische bestanddelen: cloprednol, fludrocortison, hydrocortison, methylprednisolon, prednisolon, tixocortolpivalaat.

-   Mogelijke kruisreacties met de D2 groep van labiele steroïden: hydrocortisonaceponaat, hydrocortisonbutyraat, methylprednisolonaceponaat, prednicarbaat.

 

 

Groep B

 

-   Karakteristieken: Cis diol of ketal functie op C16 en C17, mogelijke zijketen op C21.

-   Typische bestanddelen: budesonide (R en S-isomer), amcinonide, desonide, fluocinolon-acetonide, triamcinolonacetonide.

 

 

Groep C

 

-   Karakteristieken: methyl substitutie op C16, geen zijketen op C17, mogelijke zijketen op C21.

-   Typische bestanddelen: betamethason, dexamethason, flumethasonpivalaat, halomethason.

 

 


Groep D1

 

-   Karakteristieken: methyl substitutie op C16 (tot zover halogenatie op de basisstructuur), zijketen ester op C17 en vaak ook op C21.

-   Typische bestanddelen: betamethasondipropionaat, betamethasonvaleraat, clobetasol-propionaat, fluticasonpropionaat, mometasonfuroaat.

 

 

Groep D2

 

-   Karakteristieken: geen methyl substitutie op C16 (tot hiertoe geen halogenatie van de vierring structuur), zijketen ester op C17, mogelijk een zijketen op C21.

-       Typische bestanddelen: hydrocortisonaceponaat, hydrocortisonbutepraat, hydrocortison-butyraat, methylprednisolonaceponaat, prednicarbaat.

-   Mogelijke kruisreacties met budesonide S-isomeer, groep A corticosteroïden.

 

 

Referenties

 

Goossens A, Matura M.  Contactallergie voor corticosteroïden: recente ontwikkelingen.  Nederlands Tijdschrift voor Dermatologie en Venereologie, 1999, 9(7):263-265.