Hoe een contactallergie niet te missen: enkele richtlijnen

 

 

 

Trefwoorden:      contactdermatitis - kliniek - anamnese - testen - onderzoek

 

Key words:     klinische symptomen - diagnose - vals-negatieve testen - testtechniek - relevantie kruisreacties

 

De diagnose "contactallergie" wordt gesteld aan de hand van een klinisch onderzoek, waarbij veel aandacht wordt besteed aan de aard en de lokalisatie van de letsels, het uitvoeren van een doorgedreven anamnese, met inachtneming van alle mogelijke etiologische factoren, alsook het uitvoeren van huidtesten, waarbij de bepaling van de relevantie van de positief bevonden resultaten essentieel is.

 

Het niet onderkennen van een contactallergie kan zich in de verschillende stappen van het contactallergologisch onderzoek voordoen.

 

 

1.       Het klinisch onderzoek

 

De huidsymptomen van een contactallergie manifesteren zich klassiek onder de vorm van een eczeem, dat op zichzelf zeer polymorf kan zijn, en, naargelang het stadium, gekenmerkt is door jeukende, erythemato-squameuze plaques, papels, vesikels (evt. blaarvorming), huidverdikking en kloven.  Een contactallergische reactie kan zich echter ook als een niet-eczemateus letsel voordoen.

 

De lokalisatie kan een belangrijk aanknopingspunt vormen in de detectie van het oorzakelijk allergeen, vermits een contacteczeem zich meestal beperkt tot de plaats van het contact.  De huidreacties kunnen zich echter ook op andere, meer gevoelige plaatsen voordoen, vb. ter hoogte van de oogleden waar de huid dun is en stoffen gemakkelijker penetreren; soms vormen zij de enige lokalisatie bij applicatie van een allergiserende gezichtscrème of zelfs van haarverf!  Zo worden bij een contactallergie door handschoenen eerder de handruggen dan wel de handpalmen aangetast, terwijl in het geval van een textieldermatitis vaak enkel de wrijvings- en transpiratieplaatsen in de eczemateuze reactie betrokken zijn.

 

Niet alleen (intentionele) rechtstreekse applicatie op de huid maar ook andere expositie mogelijkheden komen voor: contact met allergiserende of allergeen-gecontamineerde oppervlakken, overdracht van een allergeen (vb. aanwezig in nagellak) via de handen naar het gelaat of andere lokalisaties, wat leidt tot een "ectopische" contactdermatitis, een contactallergie veroorzaakt door producten gecontacteerd door de partner of andere personen uit de omgeving van de patiënt, de zgn. "connubial" dermatitis en overdracht via de lucht van allergiserende dampen, oplossingen of poeders waardoor aanleiding gegeven wordt tot een "airborne" dermatitis.  Strooihaarden, waarbij een eczeemreactie (vaak onder de vorm van kleine papels) optreedt op plaatsen (soms zelfs veralgemeend) die niet met de allergiserende stof in aanraking zijn geweest (soms zelfs veralgemeend), zijn bekend en treden voornamelijk op bij ernstige reacties; een hematogene spreiding van het allergeen is hiervoor verantwoordelijk.


Na voorafgaande sensibilisatie via de huid kunnen allergische patiënten ook reageren na orale of parenterale toediening van het allergeen (of een scheikundig verwante stof die kruisreageert).  Het klinisch beeld kan dan bestaan uit een opflakkering van het eczeem ter hoogte van de vroegere contactplaats(en), of kan een diffuus, soms gegeneraliseerd eczemateus aspect aannemen.  Voorbeelden vormen bepaalde antibiotica en corticosteroïden.  In deze gevallen spreekt men van een endogene of systemische contactdermatitis.

 

Tenslotte vermelden we fotoallergisch contacteczeem als gevolg van expositie aan een fotoallergeen en zonlicht.

 

 

2.       De anamnese

 

Een uitgebreide en gestandaardiseerde anamnese waarbij alle mogelijke etiologische factoren zoals beroep, vrijetijdsbesteding, applicatie van farmaceutische topica en cosmetica, contact met planten, enz. in acht genomen worden is essentieel.  De patiënten kunnen zelf veel aanwijzingen geven maar dienen er vaak van overtuigd te worden dat een allergiserend product niet noodzakelijk recent in hun omgeving diende geïntroduceerd te worden, en dat het meerdere dagen kan duren vooraleer na contact, de klinische symptomen optreden.  Tevens dienen mogelijke kruisreacties met voorheen gecontacteerde allergenen overwogen en besproken te worden.

 

 

3.       Huidtesten

 

De lapjesproef, plakproef of patchtest blijft tot op heden de enige betrouwbare methode om een contactallergie op te sporen.  Het betreft een biologische test waardoor de resultaten verkeerdelijk negatief (of positief) kunnen uitvallen en bijgevolg vals-negatieve reacties opleveren.

 

De oorzaken zijn multipel: de gevoeligheidsdrempel van de patiënt ligt te laag, de testen gebeuren in een refractaire fase, de testconcentratie en/of de hoeveelheid aangebrachte substantie zijn te klein, het gaat om de verkeerde testsubstantie, het vehiculum laat geen voldoende afgifte van het allergeen toe (de biologische beschikbaarheid is te laag), de occlusie is onvoldoende, de testplaats is inadequaat, de aflezing gebeurt te vroeg, de reactie wordt onderdrukt door zonlicht-expositie, locale applicatie van een corticosteroïd ofwel door systemische toediening van corticosteroïden of andere geneesmiddelen (vb. cyclosporine, pentoxyfylline, diltiazem, ...) die de immunologische respons kunnen onderdrukken.

 

Wat de huidtesten betreft spitsen de mogelijke risico's om een contactallergie te negeren zich bijgevolg toe op het allergeen zelf, de gevolgde testmethode, de testconcentratie en het vehiculum, het tijdstip van aflezing en tenslotte de relevantie.

 


3.1.    Het allergeen

 

In de eerste plaats detecteert men enkel die allergenen die men getest heeft!  Teneinde zich een idee te vormen aangaande de opbrengst van testen met de standaardserie in het contact-allergologisch onderzoek, werden de patchtest resultaten vergeleken van 4 Europese centra.  Hieruit is gebleken dat de proportie aan contactallergische reacties gediagnosticeerd met de Europese standaardreeks als enige reeks getest varieerde tussen de 37 % en 73 %, wat erop wijst dat deze ten alle prijs dient aangevuld te worden door testen met bijkomende series en inhoudsstoffen van producten meegebracht door de patiënt.  Het gebeurt dat niet het genoemde allergeen zelf maar een onzuiverheid aan de basis ligt van de allergische reacties; vb. dit is het geval voor cetylalcohol (farmaceutische kwaliteit) dat nog niet nader omschreven allergiserende onzuiverheden bevat; patchtesten met een analytische kwaliteit van cetylalcohol veroorzaken bijgevolg vals-negatieve reacties.  Onzuiverheden als allergenen komen uiteraard nog veel meer voor in industriële producten; een voorbeeld betreft allylglycidylether, een reactieve epoxy verdunner als contaminant teruggevonden in een fixeeradditief in silicon- en polyurethaanharsen.  Allergiserende degradatieproducten kunnen eveneens gevormd worden tijdens de bewaring, en dan voornamelijk door oxidatie vb. zoals in het geval van limoneen.  Dit heeft uiteraard rechtstreekse gevolgen voor het patchtest materiaal, vandaar het nut van stabiliteitscontroles.

 

3.2.    Testmethode

 

Patchtesten worden verricht met gecommercialiseerde allergenen en met stoffen die in de aanbevolen concentraties en vehicula verdund zijn.  Gebruikte producten voor zover ze geen irriterende eigenschappen vertonen, worden als zodanig getest.  Wanneer een allergeen echter in een te lage concentratie in een eindproduct (vb. rubber, schoenen, textiel, papier, planten) voorkomt, of onvoldoende vrijkomt bij testen, kunnen er extracten worden bereid.

 

Bij een dermatitis na herhaald gebruik of na gebruik van cosmetische producten t.h.v. de gevoeligere gelaatshuid, en een negatief testresultaat, worden gebruiks- en/of "Repeated Open Application Tests (ROAT's) aanbevolen, waarbij het de bedoeling is zo dicht mogelijk de gebruikssituatie na te bootsen.

 

Open of semi-open testen zijn aangewezen wanneer producten onder occlusie irritatiereacties zouden veroorzaken.  Sterk zure of basische producten worden niet getest tenzij eventueel gebufferd.

 

In het geval van een proteïne contactdermatitis zullen enkel prick- (evt. scratch-)testen het allergeen aan het licht kunnen stellen.

 

In het geval van een fotoallergisch contacteczeem dienen uiteraard foto-patchtesten uitgevoerd te worden.

 


3.3.    Testconcentratie

 

Gezien de gevoeligheidsdrempel van elke patiënt niet dezelfde is, bestaat er geen optimale testconcentratie.  Voor de meeste allergenen zullen hogere concentraties frequenter een allergische reactie uitlokken (doch ook gemakkelijker aanleiding geven tot irritatie); in het geval van corticosteroïden echter blijken, omwille van intrinsiek anti-inflammatoire eigenschappen lagere concentraties meer aangewezen.

 

3.4.    Testvehiculum

 

De keuze van het vehiculum heeft een enorme invloed op de biologische beschikbaarheid van een allergeen.  Meestal wordt vaseline gebruikt omwille van praktische redenen; bij vermoeden van een contactallergie en negatieve testen dient het gebruik van een ander vehiculum overwogen te worden.

 

3.5.    Tijdstip van aflezing

 

Patchtesten worden klassiek afgelezen na 2 en nogmaals na 3 of 4 dagen.  Recent werden echter verschillende artikels gepubliceerd in dit verband waarbij het belang van latere aflezingen aangetoond wordt, zeker in geval van corticosteroïden.

 

3.6.    Relevantie

 

Het allergologisch onderzoek heeft een cruciale fase bereikt wanneer een positieve reactie gevonden wordt, want dan dient de relevantie bepaald te worden.  Men mag niet te vlug besluiten tot een niet-relevante testreactie; de bepaling ervan hangt immers voornamelijk af van de expertise van de onderzoeker en de mogelijkheden om het allergeen te detecteren in de omgeving van de patiënt (evt. zelfs door chemische analyse van de gecontacteerde producten).  Tenslotte dient men ermee rekening te houden dat de patiënt zich vooraf kan gesensibiliseerd hebben door een kruisreagerende substantie en dat de huidige test enkel deze allergie reveleert.  Dit is het geval vb. voor een positieve reactie voor parafenyleendiamine dat de uiting kan zijn van een primaire sensibilisatie door diaminodifenylmethaan in isocyanaten en polyurethaanharsen, of voor tixocortol pivalaat, als marker voor allergische reacties voor corticosteroïden van het hydrocortisone-type, en voor budesonide, als marker voor de corticosteroïden van het type acetonides en/of van de labiele esters.

 

Indien de resultaten van de patchtesten negatief uitvallen bij een patiënt bij wie de diagnose van een allergisch contacteczeem vooropgesteld was, dient men van voorafaan te beginnen, d.w.z., een grondige anamnese (met eventueel een bezoek aan zijn omgeving), hertesten van de vermoedelijke allergenen (evt. in een andere concentratie, een ander vehiculum en volgens een andere testmethode) en testen van bijkomende allergenen.  De patiënt kan ook gevraagd worden een dagboek bij te houden in de hoop een correlatie te ontdekken tussen expositie aan een substantie en het optreden van de huidproblemen.

 

 


Tabel 1:     Niet-eczemateuze klinische uitingsvormen van een contactallergie

 

Folliculair

Dermaal

Erythema-multiforme achtig of urticarieel papuleus

Purpura en/of vasculitis

Litchen-planus achtig en lichenoïd

Granulomateus

Pustuleus

Lymphomatoïd

Pigmentatiestoornissen (hyper-, hypopigmentatie)

Pemphigoïd

Psoriasis (Köbnerfenomeen)

 

 

Referentie

 

Goossens A.  De gemiste contactallergie: Hoe risico's te minimaliseren.  Nederlands Tijdschrift voor Dermatologie en Venereologie. 2000, in press.